Originally posted by Raven69And here I thought you'd just post, "Nevermore." 😀
[b]Wait, There's More!
A Horror Story
© Scott Emmons
Once upon a weekend dreary, while I brooded, eyeballs bleary,
Watching cheesy videos I'd seen a hundred times before,
Tightly to my beer can clinging, suddenly I heard a ringing.
Some insistent ting-a-linging just outside my chamber door.
"It's the telephone," I muttered, "just outside m ...[text shortened]... choes, "Wait, there's more!"[/b]
Originally posted by Ice ColdThread 40455 😉
The Raven
by Edgar Allan Poe
First Published in 1845
Once upon a midnight dreary, while I pondered, weak and weary,
Over many a quaint and curious volume of forgotten lore,
While I nodded, nearly napping, suddenly there came a tapping,
As of someone gently rapping, rapping at my chamber door.
" 'Tis some visitor," I muttered, "tapping at my chambe ...[text shortened]... all be lifted---nevermore!
best simpson's episode ever 😵
This has always been my favourite, for as long as I can remember.
Eating Poetry- Mark Strand
Ink runs from the corners of my mouth.
There is no happiness like mine.
I have been eating poetry.
The librarian does not believe what she sees.
Her eyes are sad
and she walks with her hands in her dress.
The poems are gone.
The light is dim.
The dogs are on the basement stairs and coming up.
Their eyeballs roll,
their blond legs bum like brush.
The poor librarian begins to stamp her feet and weep.
She does not understand.
When I get on my knees and lick her hand,
she screams.
I am a new man.
I snarl at her and bark.
I romp with joy in the bookish dark.
ee cummings another favorite of mine, though his use of punctuation is distracting:
since feeling is first
who pays any attention
to the syntax of things
will never wholly kiss you;
wholly to be a fool
while Spring is in the world
my blood approves,
and kisses are a better fate
than wisdom
lady i swear by all flowers.
Don't cry
- the best gesture of my brain is less than
your eyelids' flutter which says
we are for each other; then
laugh, leaning back in my arms
for life's not a paragraph
And death i think is no parenthesis
My poetry is different then your all's kind.
1/2 cup (1 stick) butter or margarine, melted
1 cup sugar
1 teaspoon vanilla extract
2 eggs
1/2 cup all-purpose flour
1/3 cup HERSHEY'S Cocoa
1/4 teaspoon baking powder
1/4 teaspoon salt
1/2 cup chopped nuts(optional)
CREAMY BROWNIE FROSTING(recipe follows)
Directions:1. Heat oven to 350°F. Grease 9-inch square baking pan.
2. Stir together butter, sugar and vanilla in bowl. Add eggs; beat well with spoon. Stir together flour, cocoa, baking powder and salt; gradually add to egg mixture, beating until well blended. Stir in nuts, if desired. Spread batter evenly in prepared pan.
3. Bake 20 to 25 minutes or until brownies begin to pull away from sides of pan. Cool completely in pan on wire rack. Prepare CREAMY BROWNIE FROSTING; spread over brownies. Cut into squares. About 16 brownies.
Wees hier aanwezig, allereerste geest,
die over wateren van aanvang zweeft.
Uw goede oog moet zich dit werk toe keren,
het is gelijk de wereld woest en leeg.
Het wil niet, als geheel een vorige eeuw,
puinhopen zien en zingen van mooi weer,
want zingen is slechts hartstocht van een zweer
en nimmer is, wat ook, ooit puin geweest.
Een eerste steen ligt nauwelijks terneer.
Elk woord vernieuwt de stilte die het breekt.
Al wat geschiedt geschiedt nog voor het eerst.
Geprezen! Noach bouwt, maar geen ark meer,
En Jonas preekt, maar niet te Ninive.
Ik heb een man gezien. Hij heeft geen naam.
Geef hem ons aller vóórnaam bij elkaar.
Hij is de zoon van een vrouw en een vader.
Zodra de rode zon is opgegaan
gaat hij de stad in. Hij komt langs mijn raam.
De avond blauwt, hij komt er weer vandaan.
Hij werkt op een kantoor, heet daar Awater.
Zie hem. Hij is bekleed met kemelhaar
geregen door een naald. Zijn lijf is mager
gespijsd met wilde honing en sprinkhanen.
Niemand heeft ooit hetgeen hij roept verstaan.
Het is woestijn waar hij gebaren maakt.
Hij heeft iets van een monnik, een soldaat,
maar er wordt niet gebeden, niet geblazen,
wanneer men op kantoor het boek opslaat.
Men zit als in een tempel aan een tafel.
Men schrijft Arabisch schrift met Italiaans.
In cijfers, dwarrelend als as omlaag,
rijzen kolommen van orakeltaal.
Het wordt stil, het wordt warmer in de zaal.
Steeds zilter waait dun ratelend metaal.
De schrijfmachine mijmert gekkepraat.
Lees maar, er staat niet wat er staat. Er staat:
‘O moeder, nooit zult gij de bontjas dragen
waarvoor elk dubbeltje werd omgedraaid,
en niet meer ga ik op mijn vrije dagen
met een paar bloemen naar het hospitaal,
maar breng de rozen naar de Kerkhoflaan...’
Dit staat er, en Awater's strak gelaat
geeft roerloos zijn ontroering te verstaan.
Hoe laat is het? Awater's hoofd voelt zwaar.
De telefoon slaapt op de lessenaar.
De theekopjes worden teruggehaald.
De klok tikt, tikt, slaat, tikt tot half-zes slaat.
De groene lampen worden uitgedraaid.
Vandaag, toen ik voor 't raam de bloemen goot,
is het voornemen in mij opgekomen
Awater te gaan halen van kantoor.
Ik heb sinds mijn broer stierf geen reisgenoot.
Als men een vriend zoekt, is het doodgewoon
dat men eerst ziet of men bij hem kan horen.
Vanavond volg ik dus Awater's spoor,
ik kijk de kat, zo men zegt, uit de boom,
en morgen, gaat het goed, stel ik mij voor.
Zo sta ik bij de hoge stoep. Ik schroom.
Het slaat half-zes. De tijd wordt eindeloos.
De straat wordt door voorbijgangers doorstroomd.
In elke schaduw wordt een licht ontstoken,
makend, al dwalend, omtrekken in rook.
O broeder in den hemel, wees hier ook.
Bescherm mij, dat mijn schim geen licht vertoont.
Bewaar mij ongezien en ongehoord. -
Opeens Awater. Van een overloop
zie ik hem komen, knipperend met 't oog.
Geen sterveling, geen stad, geen avondrood
bestaat voor hem. Hij komt gesneld van boven,
zandstenen trappen af langs slangen koper.
Hij ziet, schijnt het, een horizon, een zoom
waaruit ononderbroken weerlicht gloort.
Het is alsof hij hoort waarvan hij droomt
en de plek ziet waar hij te vinden hoopt,
zo snelt hij langs me, en ik voel mij doorboord.
Hij loopt haastig de vestibule door.
Hij hangt een sleutel op het sleutelboord.
Een droge distel doet zich aan hem voor,
hij grijpt zijn stok, hij wandelt fluitend voort.
Hij dekt zich, ik echter ontbloot het hoofd:
Wees hier, nogmaals, gij die op hoogten woont
zo onbewoonbaar als Calvario.
De straten zijn met asfalt geplaveid.
Ik merk dat de echo, die mij uitgeleide
deed door de hall met tegels, buiten zwijgt.
De stad verleent de voet geluidloosheid.
Een rij auto's glijdt karavaansgewijs
met zacht gekraak van leer aan ons voorbij.
Awater is mij reeds vooruitgeijld.
Ja, ja, 't schijnt waar te zijn, hij wil op reis.
Hij staat stil voor het modemagazijn.
Ik zie dat hij naar een gezelschap kijkt
van poppen die met plaids en verrekijkers
legeren aan de oever van de Nijl
gelijk uit pyramide en palmboom blijkt.
O Awater, ik weet waarvan gij peinst,
iets verder, bij de plaat der scheepvaartlijn
waarop een Bedouïn in de woestijn
een schip begroet dat over zee verschijnt,
en, weer iets verder, bij het bankpaleis
waar ‘vreemd geld’ genoteerd staat in de lijst.
Zo gaan wij samen langs de winkelschijnsels.
Eensklaps is hij verdwenen in een zijstraat.
Een deurbel klinkt. Daar moet hij binnen zijn.
Er staat geschreven: scheren en haarsnijden.
Het klein vertrek met kasten aan weerszij
lijkt door de sterke geur van allerlei
parfumerie-artikelen nog kleiner.
Awater - ik moet zeggen, ik ben blij
dat ik hem zie, ik was hem bijna kwijt, -
zit in een mantel van gesteven lijnwaad
voor de wastafel van wit porcelein.
De kapper doet zijn werk, en ik zet mij
als wie zijn beurt wacht, op een stoel terzijde.
Nooit zag ik Awater zo van nabij
als thans, via de spiegel; nooit scheen hij
zo nimmer te bereiken tegelijk.
Tussen de flessen, glinsterend verbrijzeld,
verrijst hij in de spiegel als een ijsberg
waarlangs de gladde schaar zijn snavel strijkt.
Maar het wordt lente, en terwijl wijd en zijd
de damp hangt van een bui die overdrijft
ploegt door het woelend haar de kam de scheiding.
Dan neemt Awater van de kapper afscheid
en ik volg hem op straat, werktuigelijk.
Het toeval neemt een binnenweg naar 't doel.
Moest het, dat Awater belanden moest
in het café waar ik kwam met mijn broer?
Het moest, en hij zit zelfs in onze hoek.
Ik zet mij ergens anders. Plaats genoeg.
De kelner kent me. Hij weet wat ik voel.
Hij heeft mijn tafeltje al tweemaal gepoetst.
Hij blijft, met in zijn hand de witte doek,
geruime tijd staan zwijgen naast mijn stoel.
‘De tijden’ zegt hij ‘zijn niet meer als vroeger.’
Ik weet dat hij ook aan mijn broer denkt, hoe
met zijn hond aan de ketting en zijn hoed
iets achterover op, hij binnenwoei
en 't hele zaaltje vulde met rumoer.
Hier ligt hetzelfde zand nog op de vloer,
dezelfde duif koert in zijn kooi als toen.
Oei, zei de wind, voort, voort! Zo is het goed.
Wie is dat? zeg ik daar 'k iets zeggen moet.
En hij, wetend terstond op wien ik doel:
‘Iemand die voor het eerst de zaak bezoekt.’
Dan trekt hij van 't buffet het hekje toe.
In 't water worden glazen omgespoeld. -
Wat is 't dat in zijn zak Awater zoekt?
Het is een boekje van marocco groen.
Het is een schaakspel nu hij 't opendoet.
Awater's ogen kijken koel en stroef.
Zijn hand, op tafel trommelend, schenkt moed
aan het visioen dat door zijn voorhoofd woelt.
Een sneeuwvlok dwarrelt tussen droppen bloed.
Het spel wordt tot een nieuw figuur gevoegd.
Zijn glas, vóór hem, beslaat onaangeroerd.
De cigaret die in de asbak gloeit
maakt een stokroos die langs 't plafond ontbloeit.
Hij zit volstrekt alleen en ongemoeid.
Hij heeft wat een planeet heeft en een bloem,
een innerlijke vaart die diep vervoert.
Nu drinkt hij het glas leeg en sluit het boek.
Hij krijgt, nu hij stil voor zich kijkt, iets droevigs.
Hij kijkt mijn kant uit, zodat ik vermoed
dat hij mij roept als hij de kelner roept.
Maar neen, hij rekent af, ik ook, en spoedig
gaan wij weer samen door het straatgewoel.
Elektrisch licht dat langs de gevel schiet
schrijft ieder ogenblik de naam opnieuw
van 't restaurant, en een dubbele file
mensen gaat in en uit langs de portier
die de toegang van draaiend glas bedient.
Terwijl wij binnentreden klinkt muziek.
Awater blijkt bekendheid te genieten.
Waar hij langs komt wordt naar hem omgezien.
‘Wat?’ zegt iemand ‘kent u Awater niet?
Ik meen, hij is accountant of zo iets.
Ik ken hem, maar ik ken hem niet intiem.
Sommigen zeggen, 's avonds leest hij Grieks,
maar anderen beweren het is Iers.’ -
Er is intussen iets zeer vreemds geschied.
Een heer die zich op 't podium verhief
zegt dat hij Awater zijn plaats aanbiedt.
‘Ik spreek’ zegt hij ‘uit naam van allen hier.
Wij hebben tussen ons een groot artiest.’
Awater, met gebaren naar 't servies,
wil zeggen dat hij van de eer afziet
en liever had dat men hem eten liet.
In de biljardzaal staakt men een serie.
Het wordt doodstil. Boven schaart men nieuwsgierig
zich langs de balustrade der verdieping.
Het schroefblad van de ventilator wiekt.
Dan staat Awater op en zingt zijn lied:
- Steeds troostte ze, steeds heeft zij als ik sliep
mij met haar liefelijke komst bezield,
de aanbedene; thans kwam ze en heeft vernield
de laatste steun die mijn verlies zich schiep.
Zij was, toen 'k haar ontwaren ging, in diep
met schrik vermengd verdriet terneergeknield;
ik hoorde dat zij mij geloof voorhield
maar zonder dat het hoop of vreugde opriep:
‘Herinnert ge u dien laatsten avond niet’
sprak ze ‘toen ik uw tranen heb ontzien
en zonder meer de wereld achterliet?
Ik kon, noch wilde ik, melden u sindsdien
hetgeen ik thans u te verstaan gebied:
niet hopen mij op aarde ooit weer te zien.’
Awater zwijgt. Hij verstijft tot graniet.
Men applaudisseert, werpt met serpentines.
Awater, als een pop, als een pop die
te zwaar is voor zijn eigen mechaniek,
waggelt den uitgang toe dwars door 't publiek.
Er wappert nog een smalle strook papier
hem langs de rug. Ik volg hem op de hielen.
Ik zorg - want het is stil en de straat nauw -
gelijke tred met Awater te houden.
Zo ho...
Casey at the Bat
(Ernest Lawrence Thayer)
The outlook wasn't brilliant for the Mudville nine that day;
The score stood four to two, with but one inning more to play,
And then when Cooney died at first, and Barrows did the same,
A pall-like silence fell upon the patrons of the game.
A straggling few got up to go in deep despair. The rest
Clung to that hope which springs eternal in the human breast;
They thought, "If only Casey could but get a whack at that--
We'd put up even money now, with Casey at the bat."
But Flynn preceded Casey, as did also Jimmy Blake,
And the former was a lulu, while the latter was a cake;
So upon that stricken multitude grim melancholy sat,
For there seemed but little chance of Casey getting to the bat.
But Flynn let drive a single, to the wonderment of all,
And Blake, the much despisèd, tore the cover off the ball;
And when the dust had lifted, and men saw what had occurred,
There was Jimmy safe at second and Flynn a-hugging third.
Then from five thousand throats and more there rose a lusty yell;
It rumbled through the valley, it rattled in the dell;
It pounded on the mountain and recoiled upon the flat,
For Casey, mighty Casey, was advancing to the bat.
There was ease in Casey's manner as he stepped into his place;
There was pride in Casey's bearing and a smile lit Casey's face.
And when, responding to the cheers, he lightly doffed his hat,
No stranger in the crowd could doubt 'twas Casey at the bat.
Ten thousand eyes were on him as he rubbed his hands with dirt;
Five thousand tongues applauded when he wiped them on his shirt;
Then while the writhing pitcher ground the ball into his hip,
Defiance flashed in Casey's eye, a sneer curled Casey's lip.
And now the leather-covered sphere came hurtling through the air,
And Casey stood a-watching it in haughty grandeur there.
Close by the sturdy batsman the ball unheeded sped--
"That ain't my style," said Casey. "Strike one!" the umpire said.
From the benches, black with people, there went up a muffled roar,
Like the beating of the storm-waves on a stern and distant shore;
"Kill him! Kill the umpire!" shouted someone on the stand;
And it's likely they'd have killed him had not Casey raised his hand.
With a smile of Christian charity great Casey's visage shone;
He stilled the rising tumult; he bade the game go on;
He signaled to the pitcher, and once more the dun sphere flew;
But Casey still ignored it, and the umpire said, "Strike two!"
"Fraud!" cried the maddened thousands, and echo answered "Fraud!"
But one scornful look from Casey and the audience was awed.
They saw his face grow stern and cold, they saw his muscles strain,
And they knew that Casey wouldn't let that ball go by again.
The sneer has fled from Casey's lip, his teeth are clenched in hate;
He pounds with cruel violence his bat upon the plate.
And now the pitcher holds the ball, and now he lets it go.
And now the air is shattered by the force of Casey's blow.
Oh, somewhere in this favored land the sun is shining bright;
The band is playing somewhere, and somewhere hearts are light,
And somewhere men are laughing, and somewhere children shout;
But there is no joy in Mudville--mighty Casey has struck out.
http://everything2.com/title/Tyrone+Green
Tyrone Green was a recurring character portrayed by Eddie Murphy during his 3-year stint on Saturday Night Live. Tyrone was a stereotypical caucasian-hating incarcerated black man.
The first appearance of the Green character involved a skit where convicts were encouraged to express themselves through poetry. We first see a closeup of Tyrones face. Tyrone begins the poem...
IMAGES by Tyrone Green
Dark and lonely on a summer night
Kill my landlord, kill my landlord
The watchdog barkin', do he bite?
Kill my landlord, kill my landlord
I slip in the window
I break his neck
Then his house I start to wreck.
Got no reason, what the heck.
Kill my landlord, kill my landlord.
"C"-"I"-"L"-"L" my landlord.
Another appearance of the character was a musical one. Tyrone Green and his Reggae Band perform a true-to-form song called "Kill the White People". The sole lyrics of which are: "Kill the white people, oh-oh." A limited foray into the form for Tyrone at best.
the foreigner
who do you love the most, enigmatic man? your father, your mother, your sister or your brother?
I have neither father, nor mother, nor sister, nor brother.
your friends?
there you're using a word that to this day I've never understood.
your country?
I don't know at what latitude it's situated.
beauty?
I would willingly love it, goddess and immortal.
gold?
I hate it as you hate god.
well, what do you love then, extraordinary stranger?
I love the clouds... the clouds passing... up there... up there... the marvelous clouds!
carson mccullers
she died of alcoholism
wrapped in a blanket
on a deck chair
on an ocean
steamer
all her books of
terrified loneliness
all her books about
the cruelty
of loveless love
were all that was left
of her
as the strolling vacationer
discovered her body
notified the captain
and she was quickly dispatched
to somewhere else
on the ship
as everything
continued just
as
she had written it